2.2.3.3.1 Hulpmiddel

Visualiseren als hulpmiddel in een steeds complexer wordende professionele wereld 

1. Waarom?

·     Een professionele context kenmerkt zich door cognitieve complexiteiten emotionele ambivalentie

·     Een dergelijke context leidt tot grote behoefte aan houvast

·     Voor de mens is begrijpeneen cruciale vorm van houvast

·     Het gebruik van visuele metaforen, visualisatie, vergroot het begripsvermogen. 

 

2. Wat? 

Begrijpen is sterk afhankelijk van het vermogen tot integrerend en analytisch denken

2.1  Integrerend denken leidt tot reductie van decognitive load, de belasting van het werkgeheugen door mentale taken en als zodanig de begrenzer van leervermogen. Het resultaat van integrerend denken (chunking) is overzicht;grote hoeveelheden informatie worden samengesmeed tot een veel beperkter aantal mentale eenheden (concepten, schema’s of scenario’s). Met behulp van mentale vuistregels (algoritmen en heuristieken) kan men vervolgens dit soort mentale eenheden tot begrijpelijke (overzichtelijke) redeneringen samenvoegen. 

2.2  Analytisch denken is reflectie op emotionele dilemma’s,mentale spanningsvelden t.g.v. onverenigbare onderliggende waardenkaders. Hierdoor ontstaat het inzicht, waarmee men vervolgens verlammende dilemma’s kan omzetten in bewuste keuzes.  

 

3. Hoe?

Visualisatie kent vele vormen die doorgaans worden geïllustreerd (-) aan de hand van het bijbehorende visuele instrumentarium. Grofweg zijn er twee blikrichtingen: 1. Objectvisualisatie, die aansluit bij het analytisch denken en bestaat uit afbeeldingen zoals stroomdiagrammen, cartoons etc.  

2. Subjectvisualisatie, die aansluit bij het integrerend denken en zicht biedt op de wijze waarop men kijkt, welke perspectieven men als observator hanteert.

 

Aangezien er een nauwe samenhang bestaat tussen object, perspectief en de intenties van de kijker is het ontwikkelen van een kijkwijzervan groot belang. 

Om de gewenste match te bevorderen, kan men als kijker  kiezen uit een rijk arsenaal aan visueel instrumentarium, zoals:     

-      het vergrootglas, variërend van microscoop tot telescoop, waarmee men processen kan doorgronden, kan (laten) zien hoe dingen werken en waarmee men wat veraf is, in fysieke, temporale maar ook emotionele zin, dichtbij kan brengen; 

-      de omgekeerde verrekijkerwaarmee men zaken juist op afstand brengt en daarmee in een breder perspectief zet en zo van betekenis voorziet;

-      de historische spiegel (bijv. ‘Andere tijden’) waarmee men objecten in een ander tijdsperspectief zet; 

-      de caleidoscoopwaarmee men de gehelen kan differentiëren;

-      het foto-album of video-archiefwaarmee men het ontwikkelings- of groeiperspectief van individuen en organisaties zichtbaar kan maken en daarmee juist integratie van perspectieven kan bewerkstelligen;

-      contactlenzen, waarmee men sociale contacten kan bezien;

-      etc. zie ook van Es: Veranderdiagnose, 2009.

 

4. Reciprociteit

Door beide mechanismen op elkaar te betrekken, cognitieve reductie op emotionele dilemma’s en visa versa, kan men zelfs uiterst complexe zaken zowel in- als overzichtelijk en daarmee begrijpelijk maken (van de Wiel, 2002) 

 


 

 

Om te voorkomen dat genoemde metaforen (perspectieven en beelden, maar ook heuristieken en algoritmen) ten gevolge van reificatie(het vermogen van mensen om abstracte begrippen te hanteren als ware het concrete feiten of dingen)enpareidolia(betekenis toekennen aan betekenisloze zaken) als werkelijkheid worden ervaren en het houvast verwordt tot keurslijf, is het van belang om de eigen beeldvorming steeds te onderwerpen aan reality-testing, bij voorkeur in een kader van co-creatie met anderen. 

 

5. Bouwen met perspectieven (lego)

Om een professionele handeling te verrichten moet men beschikken over vakkennis. Maar die vakkennis krijgt pas betekenis in een specifieke handeling. Bijvoorbeeld: methodisch handelen in de geneeskunde houdt in dat men eerst diagnostiekverricht en dan pas therapiebedrijft. Dat veronderstelt echter dat men weet wat diagnostiek is. Maar diagnostiek kan van alles betekenen. Min of meer intuïtief ontstaat bij sprekers en luisteraars een zogenaamd referentiekader dat dit proces wederzijds coördineert: vanuit de bedoelde betekenis ontstaan de juiste worden in de juiste volgorde. Die volgordelijkheid is daarbij essentieel! Een chronologische instructiebiedt uitkomst. Al voordat de precieze aard van de bouwstenen (woorden) bekend is, wordt een grove ordening in de tijd aangebracht zoals in de figuur is afgebeeld.

 

          

 

6. Abstracte processen zelf ‘vormgeven’

Bij erg abstracte leervormen is het handig om dit proces actief te ondersteunen en versterken met illustraties of beeldmateriaal (video, animatie, illustraties, pictogrammen en logo’s). Video maakt het mogelijk om ook abstracties als rollen en competenties levendig te verbeelden; het samen met anderen (her)schikken van hoofd- en deelprocessen maakt complexe zaken ‘tastbaar’.

Om dat samente kunnen doen, is het van belang om  zicht te hebben op elkaars (en daarmee ook eigen) onderliggende cognitieve leerprocessen zoals hierboven beschreven. Hiervoor kan men het SECI-model hanteren (Nonaka & Takeuchi), maar omdat deze processen vooral onbewust en doorlopend actief zijn, en bovendien de identiteit van de gebruiker raken, is het van belang dit ‘zichtbaar maken’ bij voorkeur op een niet-bedriegende, speelse wijze te laten gebeuren. Een bekend voorbeeld is het spelen met visuele illusies vanuit de Gestaltpsychologie om op die wijze door een  verstoring van de normale ordeningsprincipes deze juist zichtbaar te maken. Schilders als Escher, Magritte, Klee etc. geven hiervan legio voorbeelden door te spelen met:

-  groot - klein

-  voorgrond - achtergrond

-  geheel - onderdeel

-  concreet - transparant

-  rigide - flexibel

-  hard - zacht 

-  woord - ding

-  oorzaak- gevolg

-  binnen - buiten 

-  kleur - ZW

-  ......

 

7. Conclusie

Het is in principe mogelijk om m.b.v. een beperkt aantal elementaire cognitieve bouwstamstenen (stamcellen/bouwstenen) allerlei complexe processen niet alleen zelf vorm te geven , en daarmee recht te doen aan didactische eisen als interactiviteit, maatwerk en co-creatie, maar ook om deze didactisch begrijpelijk te

 

Epiloog bij 25 jaar Coaching in het UMCG

 

De Zevensprong; de internalisering van professionele bedrijfsvoering

 

Versie: 5 oktober 2016 

Inleiding

‘Goed zijn in je vak is niet meer voldoende’

Professionals werken steeds meer in samenwerkingsverbanden, doorgaans verschillende multidisciplinaire teams of overleggen. Je ding doen en verder al of niet aanwezig zijn is niet voldoende. Ook als vakspecialist word je geacht je steentje bij te dragen aan het geheel, al was het maar aan de sfeer in het team of de reputatie in de regio. Die regio kan overigens nog flink groot zijn want door globalisatie en het Internet leven we een wereldwijde We-conomy. Participatie is het devies en dat impliceert dat je overal verstand van moet hebben. Dat klinkt logisch, maar vraagt nogal wat van de professional als mens en doet vooral de vraag rijzen waar je dan nog meer goed in moet zijn dan alleen in je vak. 

Om die laatste vraag te beantwoorden staan we eerst even stil bij de vraag hoe het zo gekomen is, hoe de wereld van de Victoriaanse kamergeleerde is veranderd in een Weconomy en waarom klassieke verdien- en organisatiemodellen niet meer werken. 

Uber is het grootste taxibedrijf van de wereld, maar heeft auto’s in bezit noch chauffeurs in dienst; AirBNB is de grootste speler in de hotelwereld en heeft geen hotelpand in bezit. 

Dit inzicht kan ons helpen om nader invulling te geven aan wat er dan wel nodig is om in de nabije toekomst goed te zijn in je vak als professional. We kijken dus ook vooruit en samen levert dat een variant op van de aloude Zevensprong.

1.    Er is sprake van eenaccelererende tijd d.w.z. dat fundamentele technologische en maatschappelijke veranderingen zich steeds sneller voltrekken. 

 2. Deze accelererende tijd heeft tweegevolgen voor de aard van het werk van professionals:

2.1  Het werk wordt steeds conceptueler; mechanisatie en ICT hebben er voor gezorgd dat nu al vrijwel al het domme handwerk is afgeschaft dan wel geëxporteerd. Met de komst van de 3D-printer, robotica en sensortechniek zal ook het laatste beetje ‘maakindustrie’ veranderen in denkwerk. Alles kan, maar je moet het wel bedenken. En als je iets slims hebt bedacht, moet je het ook werkbaar kunnen maken. Dat laatste vraagt om kennis inzake rechten, regels, PR, communicatie etc. Alles hangt met alles samen dus als je iets wilt veranderen, moet je een heel nieuw concept introduceren. 

 

                                               

                                               Pink

2.2Professionals worden steeds meer ontwerper van hun werk. Nu er niets meer  vanzelfsprekend is en alles kan, moet er bij voorkeur ter plekke maatwerk worden geboden. Dat vraagt om het constant (her) ontwerpen van producten en diensten, waarbij men niet langer kan volstaan met het serieus nemen van de wensen van de klant. Gezien de wens tot maatwerk in relatie tot het fenomeen conceptualisatie is co-creatie met de klant noodzakelijk. 

 

                                       

                                  Joore

 

3. De verschuiving richting conceptueel ontwerper leidt tot veranderingen tussen de driepartijen in de professionele driehoek (Weggeman):

 

                           

 

3.1  de klant; deze wordt steeds meer (co)producent. Studenten ontwerpen hun eigen curriculum,